Jazz in de kroeg

 

Een sax die zwoel romantisch was of knetterhard scheurend, een piano die agressief onder handen werd genomen. Rokken zwieren, wilde nachten vol hormonen. Er werd gedanst, meegetikt op de ritmes,  luidkeels gezongen. Achterin stond de contrabassist tot bloedens toe te plukken en de drummer zweepte op, doordrenkt in zweet. Oorverdovend muzikaal of meesterlijk swingend. Jazz was hip.

En ouders keken fronsend toe vanachter de hoornen bril.

 

Dat was toen. Dit najaar belanden we in dit blog in een lokaal drinklokaal waar het jazzmiddag is. Het publiek met ooit de voetjes van de vloer, zwiert niet meer. Ze zitten in comfortabele banken vanaf het moment dat de zaal geopend is: stipt half 3. De barkrukken van de kroeg worden vermeden. Het is op deze leeftijd niet makkelijk erop te komen, laat staan eraf te moeten als de blaas het sein geeft naar het toilet te moeten.

 

Elke horecagelegenheid kent zijn specifieke mores. In een restaurant draag je een colbert, op een popfestival juist niet. En in een kroeg drink je bier. Dat zo’n beetje.

De inmiddels 70-plussers lijken moeite te hebben met hun omgeving. Maar zoals dat gaat als er grote groepen gelijkgestemden bij elkaar komen: de omgeving past zich aan het publiek aan. Anders gezegd: het publiek neemt de leefregels van de habitat over.

 

Dames met kort, grijs haar. Lang lijkt taboe, met uitzondering van vier vrouwen. Zij zijn jonger dan 50 en hebben lange, blonde manen. Een generatiekloofje. De grijsharigen hebben hun lippen gestift en zijn ‘gekleed’: een geborduurd vest, een bloemetjestruitje van hoge kwaliteit, pailletjes, sjaaltjes en een broche. Gekleed voor een uitje, misschien al weken geleden op de kalender in de keuken geschreven: “jazz middag, 14:30 uur”.

De mannen die hen vergezellen blinken uit in baarddracht: volle borstels op hun kin, en  ook netjes getekende lijnen die overgaan in een dun snorretje op de bovenlip. Volle bossen op het hoofd, of een enkele pluk haar die de verder kale schedel verbloemd (maar we zien allemaal dat-ie gewoon kaal is, dat plukje verbergt dat echt niet). Van dansen is geen sprake, wel van hoorbaar plezier. Want het publiek oreert alsof het een debatclub is, af en toe schuin kijkend naar de geluidsman. “De vorige keer vonden ze het ook al te hard gaan, want ze konden niet eens met elkaar praten,” moppert hij.

 

Ik vermoed dat ze een lichte verwachting hadden dat de kelner bij hun tafel zou komen om de bestelling op te nemen, maar ja, dat is niet de standaard in een tegenwoordige kroeg. Een man komt naar de bar, het geld in de aanslag voordat hij überhaupt bij de toog is. Hij wringt zich tussen mensen door op een onbeholpen manier. Met non-verbale signalen probeert hij de aandacht te trekken van de barman. Die is zichtbaar bezig met een andere bestelling. Elke keer als de barman een beweging zijn richting op maakt, maakt de klant peristaltische bewegingen die lijken op een vreemd soort reflex naar voren. Daarbij stoot hij de barhangers hinderlijk aan die hem vragend aankijken wat hij aan het doen is. Met een trilling die toch het meest weg heeft van de beginnende fase van de Ziekte van Parkinson gaat zijn hand met de twintig euro onregelmatig richting bar.  Gewoon rustig wachten op uw beurt, beste meneer. Geniet van de muziek, nu u even uit gesprek bent.

Eindelijk dan: “Mag ik twee witte wijn, een koffie, een biertje en, huh, heeft u ook appelcider.” De twintiger, ook niet met de meeste horecaervaring, moet dat navragen. Waarschijnlijk kende hij het bestaan ervan niet. En zo waren er meer drankjes waarvoor de jongeman achter de klapdeuren moest verdwijnen. Bitter lemon, tonic, alcoholvrij bier, suikervrije sapjes.

Zijn ervaring had hem ook nog niet geleerd te vragen of ze een zoete of droge wilden, met als gevolg dat de verkeerde witte wijn werd geserveerd. De barman, stoer van uiterlijk, is zichtbaar ongemakkelijk in de kroeg die is overgenomen door een groep mensen waar hij het bestaan niet van kende.

 

Achter mij staat een man (“ik sta hier al een tijdje, maar ja, al die voordringers hier”) en vraagt om een smakelijke whisky. Met een onzekere blik wendt de barman zich tot de drankkast  en wijst er een paar aan. “Je mag anders zelf wel komen kijken, ik heb mij er nog niet echt in verdiept,” zegt hij verontschuldigend.

 

Dan nemen twee jonge mannen plaats aan de bar en bestellen een biertje. De één gekleed in een mouwloos jack met het logo van een motorclub en de afbeelding van een doodshoofd die droevig kijkt. De ander met een zwarte muts en een zwarte leren jas. Een clash van culturen, verbaasde blikken. Ze doen niks hoor, ze zitten, kletsen, drinken hun biertje. “Hey Douwe, doe ons er nog twee.” De barman voelt zich meer op zijn gemak en heeft hij een gezellig gesprek met ze over hoe laat het was geworden gisteren en dat die en die ook nog even waren geweest. De ontspanning bij hem past bij de kroeg, past bij het kroegleven. Totdat de volgende rode wijn en cappuccino zich aandoet en hij weer in het gareel van de jazzers terugvalt.

 

Wanneer de muzikanten hun instrumenten inpakken, verlaten de grijsaarden het pand.  Het theeassortiment is uitgedund en de tonic (die bijna over datum was geraakt) uitverkocht. Wat overblijft is een tafel vol lege glazen en kopjes. Zwierende rokjes waren er niet. Ze brachten, net als toen ze jong waren, een cultuurclash teweeg. Het is je maar gegeven om dat nog steeds te kunnen!  Wat hebben ze een leuke middag gehad, back to the good ol’ days.

 

Nog twee stoere gasten met een biertje aan de bar. Het beeld is hersteld. De norm neemt het over. De rust is wedergekeerd.